Gespreksverslag lerarenopleiders en OCW tijdens Velon Congres

Verslag sessie gesprek met DG Velon Congres 2026

Gespreksleider: Susan Kruis (voorzitter Velon)

Gespreksdeelnemers vanuit Velon:
Petra van Dok (conrector)
Roos Hibma (Regievoerder AONHW, programmaleider Oriënteren en Starten )
Marloes Lankman (coördinerend schoolopleider)
Inge Adams (coach voor leerkrachten)
Jan Baan (universitair docent & instituutsopleider Pabo)
Calijn de Jong (algemeen bestuurslid Velon & instituutsopleider)

Gespreksdeelnemers vanuit OCW:
Amber Walraven (Ambtelijke ondersteuning)
Sjoerd de Jong (Ambtelijke ondersteuning)
Piet Veerkamp (Ambtelijke ondersteuning)
Inge Vossenaar (DG Funderend Onderwijs)

Onderwerp van het gesprek

Velon is een beroepsvereniging van, voor en door lerarenopleiders. Wij definiëren de beroepsgroep lerarenopleiders als een groep professionals die direct of indirect bijdragen aan de kwaliteit van het opleiden, en werven, matchen, begeleiden en professionaliseren van (aanstaande) leraren. Dit brede perspectief op de beroepsroep past bij actuele ontwikkelingen op landelijk en regionaal niveau. Er is steeds meer aandacht voor het “leven lang ontwikkelen” van leraren, bijvoorbeeld door aandacht voor de doorlopende lijn tussen opleiding en inductiefase. Dat betekent dat de taken van lerarenopleiders zich ook uitstrekken tot werving, matching, begeleiding en professionalisering. De groep professionals die zich herkennen in deze taken is hiermee groter en meer divers geworden.

De huidige systeembenadering van onderwijs staat soms op gespannen voet met het idee van een leven lang ontwikkelen. Want wie begeleidt dit leven lang leren en hoe wordt er voor samenhang in de ondersteuning gezorgd? Het idee van een leven lang ontwikkelen vraagt ook een herijking van wie nou de lerarenopleiders zijn die momenteel binnen en buiten de school actief zijn. Lerarenopleiders richten zich traditioneel vooral op de fase van de opleiding , maar (hoe) kunnen zij ook een rol (gaan) spelen in de fases van werven, matchen, begeleiden en professionaliseren?

Het uitgangspunt van het gesprek is om tot gemeenschappelijke taal en beelden te komen rondom een leven lang ontwikkelen en met elkaar deze vragen te onderzoeken en te ondervinden wat dit betekent voor zowel beleid als voor het werk van lerarenopleiders in de praktijk.

Standpunt Velon:

Om de beroepsgroep in dit gesprek goed te vertegenwoordigen gaven we de deelnemers vanuit Velon voorafgaand aan het gesprek de volgende uitgangspunten mee:
– het duidelijk overbrengen van de bredere rol en verantwoordelijkheden van lerarenopleiders (de beroepsgroep zoals gedefinieerd in de in 2026 herziene statuten van Velon);
– de noodzaak op tafel leggen om zowel op landelijk als regionaal niveau kritisch te kijken naar de huidige systeembenadering van de ontwikkeling van docenten, van werving tot professionalisering;
– mogelijkheden en perspectieven te verkennen om in een veranderende, en steeds meer door AI gedomineerde, context constructief met elkaar samen te werken om een leven lang ontwikkelen mogelijk te maken, voor zowel lerarenopleiders als leraren.

Verslag van het gesprek

Susan opent het gesprek met een korte samenvatting van wat bovenstaand bij ‘onderwerp van het gesprek’ beschreven staat. De dialoog wordt geopend aan de hand van de vraag: er zijn veel ontwikkelingen gaande, hoe gaan we hier als lerarenopleiders mee om?

De eerste reactie gaat in op de ontwikkelingen. Er wordt een beeld van het beroep en de beroepsgroep geschetst in de vorm van een ecosysteem dat op het punt staat om rijker maar ook complexer te worden. Als er meer personen een rol in dit systeem gaan spelen die zichzelf nu nog niet als lerarenopleider zien, wat betekent dit dat voor de identiteit van het beroep? En zien we binnen alle vijf de pijlers van de onderwijsregio (werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren) dat lerarenopleiders daarin actief zijn, of geldt dat voor sommige pijlers in mindere mate? Is er bijvoorbeeld een onderscheid aan te brengen tussen werven/matchen enerzijds en opleiden/begeleiden/professionaliseren anderzijds, een soort knip?

De volgende spreker vanuit Velon herkent die knip niet en ziet in verschillende samenwerkingen en regio’s andere combinaties van pijlers ontstaan, bijvoorbeeld matchen en opleiden. Door regionale verschillen en reeds bestaande structuren voor Samen Opleiden zijn er meerdere invullingen denkbaar en ook logisch. Het aspect van ‘samen’ is daarin het meest belangrijk. Lerarenopleiders nemen daarin de ervaring mee van het samen met verschillende actoren rondom een student staan. Uitdagingen samen oppakken in plaats van losse acties uitzetten. Die ‘samen’ ervaring kun je ook meebrengen naar toekomstige samenwerkingen.

De vraag of HRM beleid en opleiden dan niet meer door elkaar gaan lopen wordt vanuit OCW gesteld. Daar wordt op ingebracht dat ‘samen opleiden’ nu ook al in afstemming met HR verloopt (of zou moeten verlopen). Een andere gespreksdeelnemer haakt daar op in en spreekt uit dat het wel meer door elkaar begint te lopen dan eerder en dat dit vraagt om actiever met elkaar te verbinden. Welke randvoorwaarden zijn er nodig om tot die verbinding te komen?

Eén van de sprekers vanuit Velon schetst een voorbeeld van de huidige samenwerking met HR vanuit het perspectief van coachings-overleggen, waarin de vijf pijlers gezien worden als een lemniscaat, waarin HR en opleiders samen steeds over een route heen en weer bewegen. Vanuit hier verschuift de focus van het gesprek naar de vraag of er een andere balans nodig is in de startbekwame fase van docentschap t.o.v. de vakbekwame fase, naar aanleiding van een vraag die de DG hierover stelt.

Degene die vanuit Velon deze vraag oppakt geeft aan dat docenten in de verschillenden fasen ook echt andere begeleiding nodig hebben. Waar bij startbekwaam gevoel, werkdruk en basis op orde krijgen centraal staan, richten de behoeftes van vakbekwame docenten zich juist op meer ontwikkeling; verdieping & verbreding.

Een van de gesprekspartners vanuit Velon ziet hier spanningsveld, in ieder geval binnen het primair onderwijs. Het idee van eerst de basis op orde krijgen sluit minder aan bij de behoeftes van sommige leraren. Het voorbeeld wordt genoemd van academisch opgeleide po leraren, waarvan uit onderzoek en uit eigen praktijkervaring blijkt dat er een grotere kans bestaat dat zij het onderwijs verlaten of een rol oppakken waarbij zij wel in het onderwijs blijven maar niet meer in het klaslokaal. Het onderscheid start- en vakbekwaam kan ingewikkeld zijn als een leraar al verdiepende of verbredende stappen wil zetten vanuit eigen behoefte, ook als die basis nog niet op orde is. Welke afweging maak je dan?

Naar aanleiding van deze vraag, waar onder de deelnemers ook niet gelijk een antwoord op is, gaat het gesprek in op hoe scholen een lerende cultuur kunnen omarmen en voeden. We zien paralellen tussen het ontwikkelen van leerlingen en het ontwikkelen van leraren. Zij hebben hetzelfde nodig, begeleiding die onbevooroordeeld is, goed luistert naar wat nodig is, ruimte geeft om vanuit een goed gesprek de eigen leervragen aan te scherpen. Een good practice voorbeeld dat genoemd wordt is de peer review van Samen Opleiden om te leren van en met elkaar. Zulke vormen van leren zou je ook in kleinere vorm op meer niveaus kunnen inbrengen. Daarnaast wordt een kritische noot geplaatst dat een lerende cultuur onder druk kan komen te staan als een school bang is voor een oordeel (van de inspectie). Er ontstaat dan een reflex om kortetermijnoplossingen te implementeren in plaats van duurzaam te ontwikkelen en te leren.

Het gesprek komt daarmee op de balans tussen recht doen aan het ontwikkelperspectief van de school én het ontwikkelperspectief van de individuele leerkracht. Er wordt gesteld dat daar gemeenschappelijke taal voor nodig is, is niet alleen in de school, maar ook in de regio en zelfs landelijk. Zo kan beter de verbinding worden gelegd tussen wat een leraar wil ontwikkelen en hoe dat past bij de ontwikkelambities van de school/de regio. Daar ligt ook een rol voor leidinggevenden in een school, om leraren te helpen zoeken naar die verbinding. Die taal kan (voor een deel in ieder geval) gebaseerd worden op de beroepsbeelden die er al zijn. De ontwikkelpaden van NAPL kunnen daar wellicht ook helpend in zijn.

De focus verschuift mede door vragen vanuit OCW, naar hoe ontwikkeling op scholen gezien wordt. “Je moet nog veel leren” tegenover “wat breng je al mee dat ons verder helpt”. Deze twee perspectieven worden herkend en het benaderen van professionalisering als deficiëntiemodel wordt als een risico gezien voor het ontwikkelen van de eerder genoemde lerende cultuur. Wat is hierin nodig op beleidsmatig vlak?

Er wordt ingebracht dat een krachtige positionering vanuit schoolbesturen daarin kan helpen. Het werken aan professionaliseringen met vaste partners vanuit een gezamenlijke visie kan een lerende cultuur ook bestendigen. Het belangrijkst is dat er een goed gesprek plaatsvindt over wat we belangrijk vinden en waar we trots op zijn. Hier kan ook weer naar Samen Opleiden worden gekeken als een good practice. De DG geeft aan dat zulke goede gesprekken sturen vanuit Den Haag lastig is, omdat het over eigen gedrag en eigen trots gaat. Landelijk gaan discussies vaak meer over belangen, er staan dan twee uitersten tegenover elkaar. Het inzetten van good practices en het vieren van successen kan daarin krachtig zijn, want een goed voorbeeld doet volgen.

Vanuit de deelnemers worden samenwerkingen met commerciële bureaus nog genoemd als een mogelijk risico hierbij, want deze sluiten soms onvoldoende aan bij de lerende cultuur in de school.

Vanuit OCW wordt gevraagd hoe volgens ons publiek-private samenwerkingen het beste vorm gegeven kunnen worden. Dit aangezien ze hier wat mee moeten omdat het een harde KPI” (key performance indicator) voor de groeifondsaanvragen is. De deelnemers zien hier wel mogelijkheden, mits er goed afgestemd wordt over de rol van opleider (voor het begeleiden en professionaliseren). Als je een trainer van een private partij binnen de activiteiten voor begeleiden en professionaliseren ook als een soort opleider kan of wil zien, dan is het noodzakelijk dat er afstemming plaatsvindt over hoe kwaliteit geborgd wordt. Nu wordt er vaak nog heel pragmatisch omgegaan met publiek-private samenwerkingen, toekomstige samenwerkingen vereisen dan een meer duurzame vorm van samen ontwikkelen en implementeren. Niet “even iets aanbieden”. De DG vult aan dat hier een goede analyse nodig is. Ook om zicht te krijgen op waar private partijen goed in zijn.